fbpixel

Verzending boven €65,- gratis

Hoe Petra haar trouwe viervoeter heeft gevonden

Toch kon ik bijan overtuigd zijn, dat mijn beminnelijke neef Nurks, de eerste maal dat hij er mij mee zag, met de hatelijkste glimlach van de wereld en met een soort van ontevreden verbaasdheid zeggen zou: ‘Wat een weergase gekke hoed heb jij op.’ – Nu is het onbegrijpelijk moeielijk – schoon ik gaarne beken dat de een zich daar handiger in gedraagt dan de ander, en ik niet een van de gauwsten ben – nu is het onbegrijpelijk moeielijk, onder een dergelijke kritische verklaring omtrent uw hoed, een tamelijk figuur te blijven maken. Het in ernst voor uw hoed op te nemen, is wat al te gek. Het met een: h?, vind je dat?’ af te laten lopen, verraadt volslagen gemis van tegenwoordigheid van geest.

Te repliceren met een hatelijkheid op des critici eigen hoed, is wat kwajongensachtig. En hoewel een aardigheid te zeggen het alleruitmuntendste zou zijn, en er een schat van aardigheden mogelijk is, zo is het evenwel bijzonder opmerkelijk, hoe weinig men er dikwijls op zulk een ogenblik bij de hand heeft. Zodat de de critische hoedeninspecteur gewoonlijk de voldoening heeft een kleine verlegenheid te weeg te zien gebracht, welke hij met demonische wellust geniet.

En evenwel was hij een beste, eerlijke, trouwe jongen, prompt in zijn zaken, stipt in zijn zeden, godsdienstig, zelfs in de grond goedhartig. Maar er was iets in hem – ik weet het niet – dat maakte dat ik met hem niet op mijn gemak was; iets lastigs, iets impertinents, in ??n woord iets volmaakts onaangenaams. Ik zou, om iets te noemen, een nieuwe hoed gekocht hebben; geen buitensporig fatsoen (geen nationale bijvoorbeeld) geen te hoge of te platte bol; geen te brede of te smalle rand; een hoed, goed om af te nemen voor een verstandig man en op het hoofd te houden voor een gek, doch stellig een hoed om niets van te zeggen.

Te repliceren met een hatelijkheid op des critici eigen hoed, is wat kwajongensachtig. En hoewel een aardigheid te zeggen het alleruitmuntendste zou zijn, en er een schat van aardigheden mogelijk is, zo is het evenwel bijzonder opmerkelijk, hoe weinig men er dikwijls op zulk een ogenblik bij de hand heeft. Zodat de de critische hoedeninspecteur gewoonlijk de voldoening heeft een kleine verlegenheid te weeg te zien gebracht, welke hij met demonische wellust geniet.

Te repliceren met een hatelijkheid op des critici eigen hoed, is wat kwajongensachtig. En hoewel een aardigheid te zeggen het alleruitmuntendste zou zijn, en er een schat van aardigheden mogelijk is, zo is het evenwel bijzonder opmerkelijk, hoe weinig men er dikwijls op zulk een ogenblik bij de hand heeft. Zodat de de critische hoedeninspecteur gewoonlijk de voldoening heeft een kleine verlegenheid te weeg te zien gebracht, welke hij met demonische wellust geniet.

Toch kon ik bijan overtuigd zijn, dat mijn beminnelijke neef Nurks, de eerste maal dat hij er mij mee zag, met de hatelijkste glimlach van de wereld en met een soort van ontevreden verbaasdheid zeggen zou: ‘Wat een weergase gekke hoed heb jij op.’ – Nu is het onbegrijpelijk moeielijk – schoon ik gaarne beken dat de een zich daar handiger in gedraagt dan de ander, en ik niet een van de gauwsten ben – nu is het onbegrijpelijk moeielijk, onder een dergelijke kritische verklaring omtrent uw hoed, een tamelijk figuur te blijven maken. Het in ernst voor uw hoed op te nemen, is wat al te gek. Het met een: h?, vind je dat?’ af te laten lopen, verraadt volslagen gemis van tegenwoordigheid van geest.

Indien gij uit dit kleine voorbeeld van mijn hoed – het is in ‘t oog lopend hoe dikwijls hoeden tot voorbeelden dienen – niet een vrij beslissende kijk op mijn neef Nurks’ karakter hebt, dan zal dit hele verhaal, dat ik schrijven ga, nutteloos aan u verkwist zijn, lezer, en dan zal ik ook zo vrij zijn u tot uw straf te houden voor een sprekend voorbeeld en wedergade van diezelfde Robertus Nurks. Men zou intussen verkeerd doen, zich die waardige Amsterdamse jongen voor te stellen als ongelukkig, ontevreden, of zwartgallig.

Toch kon ik bijan overtuigd zijn, dat mijn beminnelijke neef Nurks, de eerste maal dat hij er mij mee zag, met de hatelijkste glimlach van de wereld en met een soort van ontevreden verbaasdheid zeggen zou: ‘Wat een weergase gekke hoed heb jij op.’ – Nu is het onbegrijpelijk moeielijk – schoon ik gaarne beken dat de een zich daar handiger in gedraagt dan de ander, en ik niet een van de gauwsten ben – nu is het onbegrijpelijk moeielijk, onder een dergelijke kritische verklaring omtrent uw hoed, een tamelijk figuur te blijven maken. Het in ernst voor uw hoed op te nemen, is wat al te gek. Het met een: h?, vind je dat?’ af te laten lopen, verraadt volslagen gemis van tegenwoordigheid van geest.

Inderdaad, ik ken vele mensen, die nogal ophebben met hun Amsterdamse neven, vooral als ze tot ‘Lezers in Felix behoren, of als ze een rijtuig houden; maar ik heb dikwijls verbaasd gestaan over mijn verregaande koelheid omtrent de persoon van mijn neef Nurks; en niets verschrikkelijker, dan wanneer hij mij zaterdagmiddag per diligence een steen stond met een brief er aan, inhoudende dat hij (mits het weer goedbleef en er niet, maar dat kwam er nooit, het een of ander in de weg kwam) met mij de dag in de Haarlemmerhout zou komen doorbrengen; niet dat ik iets tegen het gemelde bos heb, maar wel tegen ZEd.

Indien gij uit dit kleine voorbeeld van mijn hoed – het is in ‘t oog lopend hoe dikwijls hoeden tot voorbeelden dienen – niet een vrij beslissende kijk op mijn neef Nurks’ karakter hebt, dan zal dit hele verhaal, dat ik schrijven ga, nutteloos aan u verkwist zijn, lezer, en dan zal ik ook zo vrij zijn u tot uw straf te houden voor een sprekend voorbeeld en wedergade van diezelfde Robertus Nurks. Men zou intussen verkeerd doen, zich die waardige Amsterdamse jongen voor te stellen als ongelukkig, ontevreden, of zwartgallig.

Te repliceren met een hatelijkheid op des critici eigen hoed, is wat kwajongensachtig. En hoewel een aardigheid te zeggen het alleruitmuntendste zou zijn, en er een schat van aardigheden mogelijk is, zo is het evenwel bijzonder opmerkelijk, hoe weinig men er dikwijls op zulk een ogenblik bij de hand heeft. Zodat de de critische hoedeninspecteur gewoonlijk de voldoening heeft een kleine verlegenheid te weeg te zien gebracht, welke hij met demonische wellust geniet.

Inderdaad, ik ken vele mensen, die nogal ophebben met hun Amsterdamse neven, vooral als ze tot ‘Lezers in Felix behoren, of als ze een rijtuig houden; maar ik heb dikwijls verbaasd gestaan over mijn verregaande koelheid omtrent de persoon van mijn neef Nurks; en niets verschrikkelijker, dan wanneer hij mij zaterdagmiddag per diligence een steen stond met een brief er aan, inhoudende dat hij (mits het weer goedbleef en er niet, maar dat kwam er nooit, het een of ander in de weg kwam) met mij de dag in de Haarlemmerhout zou komen doorbrengen; niet dat ik iets tegen het gemelde bos heb, maar wel tegen ZEd.

Delen
Delen
Delen
Delen